.png)




waar
de pinten vloeiden, de platen speelden en de herinneringen bleven hangen
Weet ge nog…
dat ge de Pastoor Paquaylaan eigenlijk al hoorde voor ge ze zag?
Nog voor ge
de eerste cafédeur voorbijging, wist ge dat er iets te doen was. Ge hoorde de
stemmen op straat, het gelach dat door de open deuren naar buiten kwam, de
muziek van een jukebox die ergens binnen speelde en het geluid van mensen die
gewoon samen waren. Overdag was het een gewone laan, een straat zoals zoveel andere
straten. Maar zodra de avond viel, veranderde alles. Dan kreeg de Pastoor
Paquaylaan een eigen leven.
De naam zelf
kwam van pastoor Jan-Berchmans Paquay, een man die veel betekende voor de
parochie en voor de mensen uit de streek. Een ernstige naam, een naam met
geschiedenis. Maar wie de laan vroeger gekend heeft, weet dat het daar
allesbehalve stil of streng aan toe ging. De Pastoor Paquaylaan was een plaats
waar mensen kwamen om te genieten, om elkaar te ontmoeten, om even alles te
vergeten.
Het was de
plek waar een gewone avond zomaar kon veranderen in een nacht waar ge jaren
later nog over praatte.
Ge begon
dikwijls met hetzelfde voornemen: “Ik drink er maar eentje.” Dat was de zin die
iedereen kende.
Ge ging met
kameraden op stap, of ge trok er met uw lief naartoe, gewoon om iets te drinken
en wat bij te praten. Maar die ene pint bleef zelden alleen. Voor ge het wist,
waart ge een café verder. Daarna nog eentje. En nog eentje.
De Pastoor
Paquaylaan telde vroeger maar liefst zestien cafés. Zestien plaatsen waar
iedereen zijn vaste plek had, waar ge mensen kende en waar ge altijd wel iemand
tegenkwam die ge lang niet gezien had. De deuren stonden open, de geur van
sigarettenrook en bier hing in de lucht en overal hoorde ge dezelfde geluiden:
glazen die tegen elkaar tikten, stoelen die verschoven en mensen die luid
lachten omdat ze het gewoon goed hadden.
En ja, de
vloeren plakten soms een beetje. Maar niemand vond dat erg.
Een
cafévloer die plakte, hoorde erbij. Dat was het bewijs dat er volk geweest was.
Dat er gedronken was. Dat er gedanst was. Dat er verhalen waren ontstaan.
En natuurlijk hoorde daar ook eten bij.
Wie een
avond op de Paquaylaan doorbracht, passeerde vroeg of laat langs een frituur.
Die geur alleen al kon u terugbrengen naar vroeger. Ge stond daar te wachten
terwijl de frieten uit de ketel kwamen, warm en krokant, en ge kreeg uw pak
friet mee in zo’n papieren zak.
Dan kwam dat
houten stokje.
Dat kleine prikske waar ge uw frieten mee oppikte.
Ge prikte er
eentje uit, trok hem rustig door de mayonaise en stak hem in uw mond. Simpel
eigenlijk, maar op zo’n moment smaakte dat als iets bijzonders. Misschien omdat
ge daar stond met vrienden. Misschien omdat ge niet gehaast was. Misschien
omdat ge wist dat zulke avonden vanzelf voorbijgingen en ge er daarom extra van
genoot.
En als ge
met uw lief of met iemand speciaal daar liep, dan gebeurde het altijd wel eens
dat die zei: “Geef mij ook eens eentje.”
Die had
misschien zelf frieten kunnen kopen, maar dat ene frietje van uw pak smaakte
toch altijd beter. Dat waren kleine dingen. Maar het waren juist die kleine
dingen die ge onthield.
De Pastoor
Paquaylaan was trouwens niet alleen bekend bij de mensen van hier. Van heinde
en ver kwamen ze afgezakt omdat iedereen erover sprak.
Er reden
bussen met volk naar de laan. Studenten kwamen vanuit Leuven, Antwerpen en
zelfs Brussel. Ze hadden allemaal hetzelfde gehoord: “Ge moet eens naar de
Paquaylaan gaan.”
En zo liep
daar een mengeling rond van mensen die elkaar eigenlijk niet kenden. Maar dat
duurde meestal niet lang. Na een paar pinten zat ge met iemand te praten alsof
ge elkaar al jaren kende.
Het maakte
niet uit waar ge vandaan kwam. Of ge nu in de mijn gewerkt had of nog
studeerde, iedereen stond daar gewoon samen. De ene met een verhaal, de andere
met een mop, maar iedereen met hetzelfde doel: een goeie avond beleven.
In bijna elk café stond een jukebox.
Zo eentje
die ge niet zomaar voorbijliep. Die stond daar te blinken alsof hij bij het
interieur hoorde. Voor een paar frank kon ge uw plaat kiezen. Ge moest wel snel
zijn, want er stond altijd iemand achter u te wachten. Elvis…. Roy Orbison…. Cliff
Richard… of Will Tura.
De muziek
begon en plots keek iedereen wat rond. Wie zat daar? Wie keek terug? Wie
lachte?
Een avond op
de Paquaylaan draaide niet alleen om drinken. Het draaide om mensen ontmoeten.
Een schoudertik.
“Komt ge dansen?”
En soms stond iemand recht.
Dan begonnen twee mensen te dansen op een vloer die al duizenden verhalen had
meegemaakt. Een pint stond ergens op tafel. De schoenen schoven over de vloer.
Er werd gelachen. Er werd gezongen. En sommige momenten bleven gewoon hangen.
Café Mimosa was zo een plek waar ge altijd volk vond.
Moeder en de
zussen van Ludo Krawinkel stonden achter den toog en kenden de mensen die
binnenkwamen. Ze wisten wie gewoon kwam voor de gezelligheid en wie misschien
iets te lang bleef plakken.
De vader
hield alles in de gaten. Een grote, stevige man waar iedereen respect voor had.
Als hij eens naar voren kwam, hoefde hij niet veel te zeggen. Eén blik was
genoeg.
Maar de
volgende ochtend stond hij er weer.
Want dat was ook de andere kant van die tijd.
Na een lange nacht moest er gewerkt worden. Glazen wassen, tafels afkuisen,
alles weer klaarzetten.
Feesten hoorde erbij, maar verantwoordelijkheid ook.
Met de kermis veranderde de hele
laan.